Inleiding

VIGILEGIS is een nieuw instrument dat de volledige wet bevat, met commentaar die afkomstig is uit parlementaire werken en van de FOD Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Veiligheid en Preventie, hoofdstuk per hoofdstuk, afdeling per afdeling. De presentatie is toegankelijker en leesbaarder. Deze online codificatie zal regelmatig bijgewerkt worden, en dit in functie van de inwerkingtreding van de nieuwe besluiten of het online plaatsen van nieuwe themafiches.   

De VIGILEGIS maakt het vooral gemakkelijker om de tekst te begrijpen. Bijgevolg kondigt de VIGILEGIS geen regels af. Om over de definitieve juridische versie die van toepassing is te beschikken moet er steeds verwezen worden naar de wettekst en de uitvoeringsbesluiten die in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd worden. De VIGILEGIS is volledig gratis en mag niet voor commerciële doeleinden gebruikt worden.

0

Hoofdstuk 1 Algemene bepaling

Hoofdstuk 1: Algemene bepaling (art. 1)

De oprichting (wetgevende macht of wetgever) van deze wet staat op het actief van de Koning en de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Lees meer

1
Hoofstuk 1 Algemene bepaling

Hoofdstuk 2 Definities en toepassingsgebied

Hoofdstuk 2: Definities en toepassingsgebied (art. 2 tot 15 - 2 afdelingen)

  • Afdeling 1: Definities (art. 2, 1° tot 35°)

Sommige in de wet (en in de koninklijke besluiten) gebruikte termen worden specifiek gedefinieerd in het kader van de toepassing van deze wet. Het doel is om elke verwarring of elk gebruik van een definitie uit een andere reglementering te voorkomen.

  • Afdeling 2: Toepassingsgebied (art. 3 tot 15)

Alle door de wet gedekte beroepsactiviteiten, dit wil zeggen beroepsactiviteiten die door de wetgever worden beschouwd als behorend tot de sector van de private veiligheid, worden opgesomd.

Deze wet is van openbare orde en is van toepassing op alle beoogde activiteiten.

De Koning kan een lijst van activiteiten of beroepen vaststellen die niet aan de wet zijn onderworpen.

Lees meer

1
Hoofdstuk 2 Definities en toepassingsgebied

Hoofdstuk 3 Ondernemingen en interne bewakingsdiensten

Hoofdstuk 3: Ondernemingen en interne bewakingsdiensten (art. 16 tot 59 - 5 afdelingen)

  • Afdeling 1: Vergunningen (art. 16 tot 31)

Deze afdeling gaat over de vergunningen - alsook over de intrekkingsmogelijkheden - die kunnen worden toegekend aan de ondernemingen die een activiteit behorend tot het toepassingsgebied van de wet wensen uit te oefenen (uitoefenen en/of aanbieden van bewakingsdiensten, alarmsystemen, camera's, advies, opleiding,...) - of als interne bewakingsdienst - en over de afwijkingen of uitzonderingen terzake (vereniging die zelf bewakingsactiviteiten organiseert, concessieovereenkomst voor de controle van betalend parkeren, overname van activiteiten van een onderneming vergund door een derde, aanbieden van interventiediensten na alarm door de ondernemingen voor alarmsystemen en aanbieden van de diensten van onderneming voor alarmsystemen door de bewakingsondernemingen).

  • Afdeling 2: Vergunningsvoorwaarden (art. 32 tot 41)

Om een door deze wet beoogde activiteit te kunnen uitoefenen, moet een onderneming of interne dienst voldoen aan een geheel van minimumvoorwaarden met betrekking tot het personeel, de organisatie, de infrastructuur, de technische middelen,... Deze voorwaarden worden vermeld in deze rubriek (en de koninklijke uitvoeringsbesluiten).  Ze kunnen verschillen afhankelijk van het statuut van de aanvrager (elke door de wet beoogde onderneming, of bewakingsonderneming in het bijzonder, of interne bewakingsdienst).

  • Afdeling 3: Verplichtingen voor alle ondernemingen en interne diensten (art. 42 tot 52)

Bovenop de vergunning, moet een onderneming of interne dienst haar beroepsactiviteiten uitoefenen volgens bepaalde verplichtingen of verboden: vermelding van de vergunning, uitoefening onder het uitsluitend gezag van de personen die de werkelijke leiding verzekeren, verbod om gegevens mee te delen, verplichting om elke vraag betreffende zijn activiteiten die uitgaat van bepaalde overheden te beantwoorden, verbod om tussen te komen in een politiek of een arbeidsconflict, verplichting om administratieve kosten en een jaarlijkse retributie te betalen,... Bovendien moeten de bewakingsondernemingen een voorafgaande schriftelijke overeenkomst afsluiten met de opdrachtgever.

  • Afdeling 4: Bijkomende verplichtingen voor bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten (art. 53 tot 57)

Dit gedeelte preciseert bepaalde uitzonderingen op het specialiteitsbeginsel in de uitoefening van bewakingsactiviteiten, de mededelingsplicht (activiteiten en exploitatiezetel), de onderaanneming, evenals de technische normen van de gebruikte voertuigen.

  • Afdeling 5: Bijkomende verplichtingen voor ondernemingen voor veiligheidsadvies (art. 58 en 59)

De ondernemingen voor advies moeten neutrale adviezen geven (betreffende de diensten en producten) en mogen tegelijkertijd geen andere activiteiten uitoefenen (onverenigbaarheid).

Lees meer

1
Hoofdstuk 3 Ondernemingen en interne bewakingsdiensten

Hoofdstuk 4 Personen

Hoofdstuk 4: Personen (art. 60 tot 88 - 6 afdelingen)

  • Afdeling 1: Toepassingsgebied (art. 60)

De beoogde personen, die volledig of gedeeltelijk moeten voldoen aan de vastgelegde voorwaarden, worden in dit gedeelte vermeld. Het betreft zaakvoerders, leidinggevenden, bestuurders, arbeiders, bedienden, personen belast met de commerciële relaties,... die werken voor rekening van elke door de wet beoogde onderneming of interne dienst.

  • Afdeling 2: Persoonsvoorwaarden (art. 61 tot 64)

Alle voorwaarden, maar ook verboden en uitzonderingen, met betrekking tot de vergunning van personen die willen werken in de sector van de private veiligheid, hebben met name betrekking op de afwezigheid van veroordelingen, de minimumleeftijd, de te volgen opleidingen, de eerder of gelijktijdig uitgeoefende beroepen, het gewenste profiel met betrekking tot de veiligheidsvoorwaarden,...

  • Afdeling 3: Onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden (art. 65 tot 75)

De procedure met betrekking tot de onderzoeken ten aanzien van personen (bedoeld in artikel 60) die in de sector van de private veiligheid werken of willen werken en het profiel waaraan moet worden voldaan, worden duidelijk vermeld.

  • Afdeling 4: Identificatiekaarten (art. 76. tot 81)

  • Afdeling 5: Schorsingen en intrekkingen (art. 82 tot 87)

De personen die houder moeten zijn van een identificatiekaart, de modaliteiten voor de toekenning van een weigering, schorsing, intrekking en vernieuwing van deze kaart worden vermeld in deze afdelingen.

  • Afdeling 6: Discretieplicht (art. 88)

In dit artikel wordt gepreciseerd wat de discretieplicht inhoudt voor alle in artikel 60 beoogde personen.

Lees meer

1
Hoofdstuk 4 Personen

Hoofdstuk 5 Bevoegdheden - verplichtingen - procedures - middelen

Hoofdstuk 5: Bevoegdheden, verplichtingen, procedures en middelen (art. 89 tot 145 - 4 afdelingen)

  • Afdeling 1: Middelen en procedures (art. 89 tot 93)

De Koning heeft tegelijkertijd de mogelijkheid om de door de ondernemingen en interne diensten gebruikte middelen en procedures te regelen, maar ook om de opdrachtgever (dit wil zeggen de klant, de gebruiker,...) te verplichten om bepaalde bijzondere maatregelen te nemen. Hij legt ook bepaalde regels vast met betrekking tot het gebruik van wapens in de bewaking.

  • Afdeling 2: Generieke bevoegdheden en verplichtingen bij de uitoefening van bewakingsactiviteiten (art. 94 tot 120)

De bevoegdheden die een bewakingsagent kan uitoefenen of bekomen in het kader van zijn activiteiten (dragen van een wapen, controles aan de in- of uitgang van een plaats, vatting van een persoon, veiligheidscontrole, bewaking op de openbare weg en veiligheidsperimeter) afgezien van alle situaties, omstandigheden of bijzondere plaatsen, worden vermeld in deze afdeling.

  • Afdeling 3: Activiteitsgebonden bevoegdheden en verplichtingen bij de uitoefening van specifieke bewakingsactiviteiten (art. 121 tot 135) - (7 onderafdelingen)

Deze afdeling beschrijft de grenzen van de bevoegdheden, maar ook de te volgen procedures voor zeven bijzondere activiteiten (in 7 onderafdelingen), namelijk mobiele bewaking, winkelinspectie, uitgaansmilieu, verrichten van vaststellingen, beveiligd vervoer, verkeersbegeleiding en bediening van technische middelen.

  1. Onderafdeling 1: Mobiele bewaking van roerende of onroerende goederen en interventie na alarm (art. 121)
  2. Onderafdeling 2: Winkelinspectie (art. 122 tot 125)
  3. Onderafdeling 3: Uitgaansmilieu (art. 126 en 127)
  4. Onderafdeling 4: Verrichten van vaststellingen (art. 128)
  5. Onderafdeling 5: Beveiligd vervoer (art. 129 tot 133)
  6. Onderafdeling 6: Verkeersbegeleiding (art. 134)
  7. Onderafdeling 7: Bediening van technische middelen die met het oog op het verzekeren van de veiligheid aan derden ter beschikking worden gesteld (art. 135)
  • Afdeling 4: Situationele bevoegdheden en verplichtingen bij de uitoefening van bewakingsactiviteiten (art. 136 tot 145)

Het betreft de meest opvallende nieuwigheid van de wet.  De bewakingsagenten beschikken over bijzondere bevoegdheden afhankelijk van de plaatsen waarin zij hun activiteiten uitoefenen of afhankelijk van een externe crisissituatie of bijzondere noodsituatie om tegemoet te komen aan de veiligheidsvereisten gegenereerd door de te beschermen plaats of de te beveiligen situatie.  

Deze bevoegdheden moeten samengevoegd worden met de generieke bevoegdheden, evenals met de bevoegdheden - in voorkomend geval - verbonden aan de activiteiten vermeld onder afdeling 2 van dit Hoofdstuk.

De beoogde bijzondere plaatsen zijn militaire basissen, bepaalde internationale instellingen of ambassades, evenals luchthavens, internationale stations, nucleaire sites, militaire domeinen, ISPS-havenfaciliteiten, SEVESO-inrichtingen of plaatsen waar wapens, explosieven (met inbegrip van afzonderlijk opgeslagen springstofcomponenten), nucleaire materialen of andere bij koninklijk besluit bepaalde goederen worden bewaard die, indien ze op een niet voorziene wijze de plaats verlaten, een gevaar kunnen uitmaken voor de openbare veiligheid.  

De toegekende bevoegdheden afhankelijk van de plaatsen zijn: het systematisch dragen van wapens; het doorzoeken van bagage en het doorzoeken van (binnenkomende en uitgaande) voertuigen; de bewaking via mobiele camera's op niet voor het publiek toegankelijke plaatsen en de controle of detectie van de aanwezigheid van onbevoegde personen die zich verborgen houden in of in de buurt van een voertuig.

Lees meer

1
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden - verplichtingen - procedures - middelen

Hoofdstuk 6 Specifieke activiteitendomeinen

Hoofdstuk 6: Specifieke activiteitendomeinen (art. 146 tot 207 - 4 afdelingen)

  • Afdeling 1: Opleidingen en psychotechnische onderzoeken (art. 146 tot 151)

Dit deel bepaalt de wettelijke grondslag van de opleidingen en psychotechnische onderzoeken van het personeel dat een bijzondere functie uitoefent in de sector van de private veiligheid. De Koning bepaalt de praktische modaliteiten hiervan via twee besluiten.

  • Afdeling 2: Alarmen en alarmbeheer (art. 152 tot 158)

De wet bepaalt de grote principes die de alarmen en het beheer van de alarmen beheren. De wijzen van verificatie, de procedures van alarmmelding,... evenals de voorwaarden voor installatie en gebruik,... zullen bij koninklijk besluit worden geregeld.

  • Afdeling 3: Veiligheidsdiensten van openbare vervoersmaatschappijen (art. 159 tot 184)

  1. Onderafdeling 1: Toepassingsgebied (art. 159 tot 162)
  2. Onderafdeling 2: Middelen (art. 163 tot 167)
  3. Onderafdeling 3: Competenties (art. 168 tot 184)

De afdeling is een bijna volledige overname uit de regels van de wet van 10 april 1990 - opgeheven - voor de veiligheidsdiensten van de openbare vervoersmaatschappijen. Zij bepaalt dat de wet ook van toepassing is op deze diensten, bepaalt de plaatsen waar de veiligheidsagenten bevoegd zijn en welke de middelen (spray en handboeien) en bevoegdheden waarover zij beschikken (uitoefenen op de openbare weg, de toegang tot een zone weigeren, een persoon dwangmatig verwijderen, identiteitsdocumenten vragen, een vatting uitvoeren, overgaan tot een veiligheidscontrole, een formulier overhandigen en een register bijhouden) zijn.

  • Afdeling 4: Maritieme veiligheidsondernemingen (art. 185 tot 207)

Een maritieme veiligheidsonderneming is gemachtigd om activiteiten uit te oefenen van toezicht, bescherming en veiligheid aan boord van schepen, steeds gewapend, om tegen piraterij te strijden ten voordele van de geregistreerde eigenaar of exploitant. Deze afdeling preciseert bepaalde vergunningsvoorwaarden.  7 koninklijke besluiten specificeren de bevoegdheden, procedures en verplichtingen inherent aan dit zeer bijzondere type activiteiten.

Lees meer

1
Hoofdstuk 6 Specifieke activiteitendomeinen

Hoofdstuk 7 Controle en sancties

Hoofdstuk 7: Controle en sancties (art. 208 tot 255 - 2 afdelingen)

  • Afdeling 1: Controle (art. 208 tot 233)

  1. Onderafdeling 1: Algemeen (art. 208 tot 214)
  2. Onderafdeling 2: Verplichtingen en bevoegdheden van de inspecteurs (art. 215 tot 225)
  3. Onderafdeling 3: Verhoren en processen-verbaal (art. 226 tot 233)

Deze afdeling behandelt de bevoegdheden van de personen die belast zijn met de controle van de wet en haar uitvoeringsbesluiten.

  • Afdeling 2: Sancties (art. 234 tot 255)

  1. Onderafdeling 1: De sanctieambtenaar (art. 234 tot 237)
  2. Onderafdeling 2: De waarschuwing (art. 238 en 239)
  3. Onderafdeling 3: De minnelijke schikking (art. 240 en 241)
  4. Onderafdeling 4: De administratieve geldboete (art. 242 tot 251)
  5. Onderafdeling 5: Beroepsprocedure (art. 252 tot 255)

Deze afdeling vermeldt de sanctieprocedure (gepreciseerd door de Koning) en de verschillende sancties (waarschuwing, minnelijke schikking en administratieve geldboete) die kunnen worden opgelegd.

Lees meer

1
Hoofdstuk 7 Controle en sancties

Hoofdstuk 8 Slot- opheffings- en overgangsbepalingen

Hoofdstuk 8: Slot- opheffings- en overgangsbepalingen (art. 256 tot 278 - 4 afdelingen)

  • Afdeling 1: Slotbepalingen (art. 256 tot 270)

  1. Onderafdeling 1: Adviesraad (art. 256 tot 261)
    • Er zal een adviesraad worden opgericht om de minister van Binnenlandse Zaken te adviseren omtrent het beleid inzake de in de wet bedoelde aangelegenheden.  Er zullen ook commissies kunnen worden opgericht afhankelijk van de door de wet beoogde domeinen.
  2. Onderafdeling 2: Delegaties (art. 262)
    • De minister van Binnenlandse Zaken kan sommige van zijn bevoegdheden overdragen aan een ambtenaar van de FOD Binnenlandse Zaken.
  3. Onderafdeling 3: Inningen (art. 263 tot 267)
    • De ondernemingen en interne diensten blijven gehouden administratieve kosten en een jaarlijkse retributie te betalen teneinde de kosten voor administratie, controle en toezicht nodig voor de toepassing van de wet te dekken.
  4. Onderafdeling 4: Toegang gegevens (art. 268 en 269)
    • Deze artikelen voorzien in een rechtstreekse toegang tot de in het centraal strafregister opgenomen gegevens en tot de nationale antecedentenfiche bij de parketten, via een medewerker van het parket die werd gedetacheerd bij de FOD Binnenlandse Zaken.
  5. Onderafdeling 5: Rapport (nieuw) (art. 270)
    • De minister van Binnenlandse Zaken brengt jaarlijks een schriftelijk verslag uit aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
  • Afdeling 2: Overgangsbepalingen (art. 271 tot 276)

Deze bepalingen garanderen dat de rechten die voortvloeien uit de erkenningen, vergunningen en identificatiekaarten die werden afgeleverd in het kader van de oude wet van 10 april 1990 behouden blijven.

  • Afdeling 3: Opheffingsbepaling (art. 277)

Het betreft het artikel dat de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid opheft.

  • Afdeling 4: Wijziging van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective (art. 278)

De wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective wordt aangevuld zodat de privédetectives kunnen worden tewerkgesteld in bewakingsondernemingen om uitsluitend interne onderzoeken te voeren.

Lees meer

1
Hoofdstuk 8 Slot- opheffings- en overgangsbepalingen