Het Risicotaxatie-Instrument Partnergeweld (RTI-PG) is een instrument dat ontwikkeld werd om tegemoet te komen en structuur te bieden aan de grote verschillen in risicotaxaties tussen politie, justitie en hulpverlening, die in contact komen met partnergeweld.

Het instrument werd door studente criminologie Cloë Rossenbacker (onder begeleiding van de Algemene Directie Veiligheid & Preventie en de KULeuven) onderzocht en gemeten. Er werd in beeld gebracht hoe vaak men het instrument gebruikt, bij welke casussen en met welke moeilijkheden dit gepaard gaat. Daarnaast werd ook gekaderd waarom professionals het instrument niet gebruiken en welke alternatieven er dan bestaan.

0

Synthese van het onderzoek

De onderzoekspaper betreft een onderzoek naar de implementatie van het Risicotaxatie-Instrument Partnergeweld (RTI-PG) in België. Dit instrument werd ontwikkeld om aan de grote verschillen in risicotaxaties tussen politie, justitie en hulpverlening, die in contact komen met partnergeeld, tegemoet te komen en meer structuur te bieden (Coteur et al., 2019, pp. 94-95). Er werd echter nog geen onderzoek gedaan naar de manier waarop dit instrument gebruikt wordt bij deze instellingen waardoor het onderzoek zeker wetenschappelijk relevant is. Daarnaast is er ook een maatschappelijk belang aangezien volgens Coteur en anderen (2019, p. 105) de implementatie van het instrument bevorderend zou kunnen werken voor de betrokken professionals.

Het doel van dit onderzoek was dus het meten van de implementatie van het RTI PG. Meer specifiek werd in beeld gebracht hoe vaak men het instrument gebruikt, bij welke casussen en met welke moeilijkheden dit gepaard gaat. Daarnaast werd ook gekaderd waarom professionals het instrument niet gebruiken en welke alternatieven er dan bestaan.

Om deze implementatie te meten werd gebruik gemaakt van een mixed method. Enerzijds werd een survey afgenomen bij 206 instellingen van politie, justitie en hulpverlening in België die in contact komen met partnergeweld. Daarnaast werden ook vier semi-gestructureerde interviews afgenomen bij respondenten die het instrument niet gebruiken om in kaart te brengen wat de redenen hiervoor zijn en welke noden zij hebben omtrent risicotaxaties. Op korte tijd werd dus een groot aantal respondenten bereikt. Een nadeel daarentegen is dat weinig respondenten bereikt werden die het RTI PG gebruiken.

De data toonde aan dat het RTI PG in kleine mate geïmplementeerd is. Slechts tien respondenten gebruiken momenteel het instrument (5,9%). Dit komt echter overeen met ongeveer 1/3e van de respondenten die risicotaxaties uitvoeren aan de hand van een instrument. Gebruikers van het RTI PG behoren voornamelijk tot instellingen van hulpverlening en politie. Instellingen die het instrument gebruiken, gebruiken het relatief vaak. Het wordt bij alle casussen rond vermoedelijk of vastgesteld partnergeweld gebruikt, afhankelijk van wie het instrument hanteert. Het instrument wordt ook redelijk positief onthaald. Slechts twee respondenten, van de vijf die de evaluatie hebben ingevuld, kennen een negatieve evaluatie toe aan het RTI.

De helft van de bevraagde professionals, die risicotaxaties uitvoeren, maken hierbij gebruik van een instrument (50,8%). Er bestaat een grote verscheidenheid aan instrumenten die gebruikt worden. Deze instrumenten worden voornamelijk gebruikt omdat ze opgedragen werden door bijvoorbeeld de magistraat van het parket. De voornaamste reden waarom het RTI PG niet gebruikt wordt, is dat het niet gekend is (66,7%). De helft van de respondenten (49,2%) gebruikt geen instrument bij het uitvoeren van risicotaxaties ondanks dat de ongestructureerde klinische beoordeling eerder negatief wordt onthaald in wetenschappelijk onderzoek. Daarentegen tonen instellingen interesse in risicotaxaties en geeft 67,2% aan dat ze nood hebben aan een instrument om hen hier in te ondersteunen.

Uit dit onderzoek blijkt dat het RTI PG tegemoet zou kunnen komen aan de verschillende noden die aangegeven werden door de respondenten in de interviews, uit verschillende sectoren. Deze noden zijn meer uniformiteit tussen de sectoren, het koppelen van een standaard antwoord aan het risico op geweld en een makkelijk afneembaar instrument. Daarnaast zou het gebruik van éénzelfde instrument kunnen bijdragen aan uniformiteit tussen instellingen en het ontwikkelen van een gemeenschappelijke taal. Alle respondenten uit de interviews halen namelijk aan dat er momenteel een grote nood bestaat naar meer uniformiteit om gevallen van partnergeweld beter op te volgen.

Er is echter een beperking aan dit onderzoek gebonden waardoor het aangewezen zou zijn om meer onderzoek te doen naar de implementatie van risicotaxatie-instrumenten in België. Door de kleine steekproef van respondenten die de survey volledig heeft ingevuld kon er geen duidelijk algemeen beeld gevormd worden over de implementatie en evaluatie van het RTI PG. Hierop kon ook niet dieper ingegaan worden aangezien er wegens de beperkingen door de Covid-maatregelen geen respondenten voor interviews gevonden werden die het instrument wel gebruiken. Het is aangewezen een meer gericht onderzoek te voeren waarbij er actief gezocht wordt naar de gebruikers van het RTI PG.

Na afronding van dit onderzoek verscheen op 26 juni 2020 de omzendbrief nr. 15 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep betreffende een tool voor de risico-evaluatie. Deze omzendbrief betreffende de veralgemening van het gebruik door de politiediensten en de parketten van een tool voor de eerstelijnsrisico-evaluatie inzake partnergeweld gaat in voege op 1 januari 2021 en zal ongetwijfeld tegemoet komen aan een aantal door het onderzoek vastgestelde noden op het terrein.

Deze tool heeft als doel de aanwezigheid van bepaalde zeer alarmerende risicofactoren in de verf te zetten die, zonder afbreuk te doen aan de aanbevelingen uit omzendbrief COL 4/2006 of lokale omzendbrieven, niet alleen vereisen dat het parket onmiddellijk ingelicht wordt, maar ook, in voorkomend geval, dat de magistraat snel en adequaat reageert, om zo de veiligheid van het slachtoffer (en zijn of haar entourage) te garanderen. Het gaat hierbij meer bepaald om de inschatting van het risico dat overgegaan zou worden tot een ernstig geweldsmisdrijf van het type (poging tot) doodslag op de (ex-)partner of de kinderen;

In tweede instantie bestaat het doel van dit instrument erin om de magistraat die voor het dossier instaat de mogelijkheid te bieden om snel kennis van de situatie te nemen, en ze vervolgens op een diepgaande manier te analyseren via een gedetailleerde lectuur van het dossier aan de hand van de ingevulde checklist.

In het algemeen heeft deze tool ook als doel om de politieambtenaren en de magistraten te wijzen op het belang van een adequate evaluatie van dergelijke cruciale situaties en om hen te stimuleren om de aangegeven feiten in hun juiste context te plaatsen.

0