GAS-verslag

De minister van Binnenlandse Zaken moet op geregelde tijdstippen verslag uitbrengen aan het Parlement over de toepassing van de GAS-wet (artikel 52 GAS-wet).

  • Het eerste verslag, dat werd neergelegd in het parlement in 2015, kan u hier vinden.
  • Het laatste verslag, dat werd neergelegd in het parlement in 2021, kan u hier vinden.
0
GAS-verslag

Arresten Grondwettelijk Hof

De GAS-wet heeft reeds meermaals het voorwerp uitgemaakt van procedures voor het Grondwettelijk Hof.

Een eerste zaak werd beslecht met twee arresten dd. 23/04/2015 waarbij het Hof n.a.v. een beroep tot vernietiging heeft geoordeeld dat de GAS-wet grondwettig is in al haar onderdelen:

Daarnaast zijn er al ook al vijf arresten geveld naar aanleiding van enkele prejudiciele vragen. 

In een eerste zaak heeft het Grondwettelijk Hof bij arrest dd. 09/02/2017 geoordeeld dat artikel 33 GAS-wet grondwettig is als het geïnterpreteerd wordt als een weerlegbaar vermoeden van toerekenbaarheid in hoofde van de houder van de kentekenplaat:

In een tweede zaak heeft het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 2019-08 dd. 23/01/2019 geoordeeld dat de politierechter voor de inbreuken bedoeld in artikel 3,3° GAS-wet een administratieve geldboete moet kunnen verminderen tot onder het bij koninklijk besluit vastgestelde bedrag teneinde rekening te kunnen houden met verzachtende omstandigheden. 

In een derde zaak werd door het Grondwettelijk Hof bij arrest dd. 03/04/2020 besloten tot een ongrondwettelijkheid in zoverre de sanctionerend ambtenaar, of, in beroep, de politierechtbank niet over de mogelijkheid beschikt om een geldboete met uitstel op te leggen. 

In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 3, 3°, en 31 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », gesteld door het Hof van Cassatie.

De vierde en vijfde zaak betroffen beide procedures die handelden over de inbreuken bedoeld in artikel 3,3° GAS-wet, de zogenaamde inbreuken stilstaan en parkeren.

De vierde zaak heeft geleid tot een arrest met nummer 29/2021 waarbij het Hof op 25/2/2021 heeft geoordeeld dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft daar de vraag berust op een kennelijk verkeerde interpretatie van de betrokken bepaling. De prejudiciële vraag handelde over artikel 29 van de GAS-wet en meer bepaald de formulering van het opschrift boven dit artikel. 

In zake : de prejudiciële vraag over artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », gesteld door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

De vijfde zaak heeft geleid tot een arrest met nummer 161/2021 dat op 18 november 2021 werd uitgesproken. Dit betrof een prejudiciële vraag over de artikelen 29 tot 32 van de GAS-wet waarbij het Hof heeft geoordeeld dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft omdat de in het vonnis van de politierechtbank vermelde interpretatie van de wetsbepalingen onjuist is.

Inzake : de prejudiciële vraag over de artikelen 29 tot 32 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », gesteld door de Politierechtbank Luik, afdeling Luik.

Advies

Er werd aan de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (VCT) ook een vraag om advies gesteld over de toepassing van de taalwetgeving op de vaststelling van de inbreuken en de daaropvolgende administratieve procedures in toepassing van de GAS-wet. Hier kan u kennis nemen van het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht nr. 53053 dd. 07/04/2021.

0
Arresten Grondwettelijk Hof